Jan Willem Hament over zijn liefde voor Zeeuwse meerminnen

Ik schreef een boek met meerminnen in de titel, Jan Willem Hament tekent en schildert ze. Hij maakt de mooiste Zeeuwse meerminnen in het ‘zeemeerminnenhuisje’ in Wemeldinge, waar hij uitkijkt op de Zeemeermin van Wemeldinge en de woeste golven van de Oosterschelde. Hij nodigde me persoonlijk uit in zijn nieuwe atelier om me een zeefdruk van ‘een blikje zeeuwmeerminnen’ te schenken.

Jan Willem en ik werden aan elkaar ‘voorgesteld’ op Facebook door Anthoni Fierloos, eigenaar van boekhandels het Paard van Troje en de Koperen Tuin in Goes. Anthoni tagde me bij één van Jan Willems kunstwerken: een meermin met een Zeeuws kapje op. Zijn Zeeuwse meermin deed meteen wat met me. En dat doet ze ook met jou. Gegarandeerd.

Ultieme Zeeuwse zoektocht

De middag begint gehaast. Ik moet eerst langs Zierikzee, om een prachtig Zeeuws sagenboek uit 1933 op te halen. Natuurlijk spelen meerminsagen er een rol in – in het bijzonder die van Westenschouwen – en ik zie vandaag als de ultieme Zeeuwse zoektocht naar een vrouwspersoon die onlosmakelijk met Zeeland verbonden is.

Mijn auto zoeft over de brug bij Kats, waar ik – zoals altijd – ietwat dwangmatig het eerste versje van ‘De zeepoes’ van AMG glimlachend hardop opdreun:

De zeepoes woont bij Katseveer.
Men ziet haar uiterst zelden.
Een enkele keer, bij stralend weer,
zwemt zij een beetje op en neer,
daar in de Oosterschelde

Uit: ‘De zeepoes’ – Annie M.G. Schmidt

Ik rij door Kapelle ‘met een K’ en dan langs de prachtige jachthaven van Wemeldinge. Google Maps raakt ernstig de draad kwijt. Jan Willem had me er al voor gewaarschuwd: het zeemeerminnenhuisje is niet te vinden met GPS. Maar op deze zonovergoten zondag weet een gezin op de fiets me het haarfijn uit te leggen: ‘Trapje op, trapje af en loop dan naar de Oosterscheldekant. Weer een trapje op en dan zie je het huisje vanzelf.’

Het is alsof ik het Zeeuwse sagenboek in ben gelopen.

Ik zie een gouden schittering. Het is het standbeeld van de zeemeermin van Wemeldinge.

De zeemeermin van Wemeldinge

Mijn haar wappert voor mijn ogen in de zilte wind en ik zie een gouden schittering. Het is het standbeeld van de zeemeermin van Wemeldinge. Ik draai een kwarslag en daar staat een prachtig huisje met een rood dak en een muntgroen torentje. Het is alsof ik het Zeeuwse sagenboek, dat ik onder mijn arm heb geklemd, in ben gelopen. In het raamkozijn kijken een paar ingelijste Zeeuwse meerminnen me scherp aan. Ik loop om en tik op een van de ruitjes. Jan Willem Hament zwaait enthousiast en komt meteen naar de deur.

Huis vol Zeeuwse meerminnen

‘Wauw,’ zeg ik, terwijl ik naar boven staar. Waar ik ook kijk: overal hangen ingelijste Zeeuwse meerminnen. Mijn oog valt meteen op een meerminnetje in twee handen die een kommetje vormen. Wolken op de achtergrond, een strand en vloedpalen.
‘Wolkenkind,’ zegt Jan Willem.
‘Wolkenkind,’ herhaal ik knikkend.
Hij wijst een soepkom aan met een Zeeuws meerminnetje erin. ‘Vissoepje.’
Ik grijns.
‘Meerminnencocktail’. ‘Meerminnensushi’. ‘Meerminnenharpje’.
Van alles komt voorbij, ik haal mijn meerminnenhart op.

Waar ik ook kijk: overal hangen ingelijste Zeeuwse meerminnen.

Hij wijst een schip aan, met een meermin op de boeg. Het danst over de golven, door de wolken.
‘Een vliegende Hollander,’ zegt hij.
‘Mooi,’ vind ik. En ik pak een exemplaar van de eerste druk van Meerminnen verdrinken niet uit mijn tas – ik bracht het voor hem mee. ‘Kijk eens.’ Ik blader tot ik het juiste hoofdstuk tegen kom. ‘Ik schreef in mijn verhaal een hoofdstuk dat “Vliegende Hollanders” heet’.
‘Toevallig,’ zegt hij.
Hij bekijkt goedkeurend mijn zusje Vicky’s illustratie voorin het boek.
Ik vertel hem over de 150 hoogaarzen, de stormramp van 1911 en dat er daarna nog 20 over waren.
‘Bizar,’ zegt hij.
Ik knik.

En dan wenden we ons tot een andere wand, die volhangt met Zeeuwse meerminnen. ‘Zeeuwmeerminnetje uit Yerseke en Arnemuiden’. ‘Meerminnenkaart’. ‘Blikje Zeeuwmeerminnen’. Jan Willem trok afgelopen week meer blikjes meerminnen open, en liet er een paar op Facebook zien.  Ik vind ze geweldig. Er ligt er een vers getekend op zijn tekentafel. Onderop het blikje staat ‘Zeeland’. De meerminnetjes liggen erin als sardientjes.

Jan Willem praat honderduit, hij heeft bij elke tekening een aanstekelijk verhaal. Ik pak gauw mijn notitieboek. Want ik mag hem interviewen voor meerminnenverdrinkenniet.nl. Hoe toepasselijk. Hij steekt intussen een sigaar op.


Interview met Jan Willem Hament

Mijn eerste vraag is erg cliché en voor de hand liggend, maar ik stel hem lekker toch: wanneer ben jij gaan tekenen?

‘Vanaf mijn vierde teken ik al en daarna heel mijn leven. Ik heb het nooit losgelaten, óók niet tijdens mijn pubertijd. Vanaf het begin heb ik die klare lijn al gehad. In de loop van de jaren is het uitgekristalliseerd tot deze échte Hament-stijl.’

Ik vraag hem of hij die rechte lijnen zo uit de losse hand kan tekenen. Hij pakt een lange strook papier en trekt, met een dikke watervaste Edding-marker, een strakke lijn. En dan nog een ernaast. Ik ben onder de indruk.

‘Ik heb geen opleiding gedaan. Ik ben gewoon gaan tekenen. Ik heb mezelf in de beginjaren veel bezig gehouden met maken van reclame en het schilderen van reclameborden. Dat doe ik overigens nog steeds. Allemaal met de hand, ik doe niks op de computer. Zo maakte ik onder andere reclame voor bakkerij ’t Stoepje en Duifhuizen.

Ooit had ik tekenles, maar ik was te snel voor de leraar en te snel voor de andere leerlingen. Op 9 september 1999 heb ik 99 meter kunst gemaakt tegenover het Guggenheim museum in New York. Daarna kwam ik in contact met een jongen uit Goes, die mij weer in contact bracht met het netwerk van Herman Brood. In de jaren daarna ontwikkelde ik me als kunstenaar en kreeg ik steeds meer naamsbekendheid. Ik heb exposities gehad op mooie plekken als het Pulitzer hotel in Amsterdam. In 2007 keerde ik terug naar NY en daar heb ik het oog bedacht van mijn figuren. Het staat symbool voor oneindigheid, en nu ook voor Jan Willem Hament.’

Hij vraagt of ik het koud heb. Of ik nog koffie wil. Ik krijg een tweede kop koffie en hij doet een kacheltje aan.

Jan Willem Haments Zeeuwse meerminnen.

Ik ken jou vooral van typisch Zeeuws werk. Ik zag jouw kunst voor het eerst in Leuntje en Marien. Teken jij ‘typisch Zeeuws’ of ook andere dingen?

‘Ik maak van alles, maar dit is nu mijn gezicht. Dit is waar naar gevraagd wordt, dus daar concentreer ik me nu op. Maar tussendoor doe ik allerlei opdrachten, zoals logo-ontwerp.’

Jan Willem laat me op zijn telefoon allerlei mooie dingen zien. Al zijn werk draagt zijn herkenbare stempel: zijn klare lijn en zijn zwart-wit spel.

‘Kijk,’ zegt hij. ‘Dit ontwierp ik voor de Aldi.’ Het is een logo voor orchideeën.


Jouw werk is super herkenbaar. Het lijkt je tweede natuur: op al jouw werk ligt dat herkenbare stempel. Maar is het wel zo simpel om herkenbaar te zijn? Om zo consequent, zo ontzettend ‘Ja, dit is er een van Jan Willem Hament’ te werken?

Jan Willem trekt zijn schouders op.

‘Ik imiteer gewoon nooit. Ik kijk niet naar wat een ander maakt. Ik weet gewoon telkens, bij elke tekening, bij elk schilderij, precies wat ik ga maken.’

En dan zegt hij opeens: ‘Gisteren heb ik de laatste zeefdruk van “Blikje meerminnen” verkocht.’
Ik: ‘De zeefdruk die ik vandaag zou krijgen?’
Hij knikt.
Ik schiet in de lach. ‘En nu?’ zeg ik.

Hij loopt de gang in, en komt terug met zijn bloedmooie ‘Wolkenkind’.
‘Voor jou,’ zegt hij.
‘Dat kan ik niet aannemen,’ zeg ik.
‘Jawel,’ zegt hij. ‘Die is voor jou, die vind je mooi.’

Ik kijk er – dom grijnzend en stil – naar. ‘Wolkenkind’ staart me aan vanaf een stoel. Ik voel me als het meerminnenkind. Een beetje gedragen op handen, in de wolken.


Je stijl lijkt simplistisch. Alsof jij je pen op papier zet en ‘het’ er gewoon uitvloeit. Onlangs keek ik een filmpje van Leun en Marien, de ‘hou 1,5 meter afstand-tekening’ en mijn mond viel letterlijk open. Het leek wel trucage, zo vloeiend als dat ging. Gaan al jouw werken zo vloeiend?

Hij wijst naar een Zeeuws blikje, waar hij zonet aan begonnen was. Er staan zachte potloodlijnen op de achtergrond.

‘Ik zet alles op met potlood,’ zegt hij. ‘Dat moet wel. Echt. Maar dan maak ik het af met mijn Eddingmarkers. Dat zijn de beste. Die verliezen hun kleur niet. En…’ hij neemt nog een trekje van zijn sigaar, ‘… als iets mislukt – dat gebeurt weleens – dan verfrommel ik het gewoon en begin ik opnieuw.’

En dan staat hij op en loopt naar zijn andere kamer. Hij komt terug met een stuk papier in zijn hand. ‘Ga verder,’ zegt hij.
Ik kijk in mijn schrift, Jan Willem kijkt naar mij. Hij begint met potlood te schetsen.


Uhm. Oké. Uhm… en dan nu mijn meest prangende vraag van vandaag: op het moment maak je heel veel werk waar Zeeuwse meerminnen de hoofdrol in spelen. Waar komt toch jouw fascinatie voor zeemeerminnen vandaan?

‘Op een dag liep ik langs dit huisje. Dit zeemeerminnenhuisje in Wemeldinge. Een vrouw uit de buurt attendeerde mij erop dat ik het móest huren, omdat er voorheen ook een kunstenaar in zat. En ja… ik huur het nu van de gemeente. Ik kijk hier naar buiten, door het raam, en kijk uit op het standbeeld van de zeemeermin in de haven. En ja…’

Hij grijnst.
‘Meer heb je niet nodig, hè?’ vraag ik.
Hij schudt zijn hoofd. Intussen tekent hij driftig door. Zo nu en dan kijkt hij naar mij.
‘Teken je mij?’ vraag ik.
‘Ja,’ zegt hij.

‘Teken je mij?’ vraag ik. ‘Ja,’ zegt hij.

En hoe lang blijf je in dit thema tekenen, denk je? Of wissel je af?

Ik zou er 99 willen tekenen. Voor een expositie die ik hier, in het zeemeerminnenhuisje, wil houden. Ik heb iets met het cijfer 9, sinds New York. Maar ik verkoop mijn zeemeerminnen elke keer weer. Zoals gisteren nog. Toen kwam er een Duitser langs die hier in de buurt een tweede huis heeft. Die stapt hier binnen en koopt er weer 9. En ja, dan moet ik weer aan de slag. Moet ik er weer 9 bij tekenen. Maar aan de andere kant zeg ik ook net zo makkelijk: ‘Nu ben ik er klaar mee.’ En dan teken ik weer wat anders.


Onlangs zag ik een artikel op jouw Facebook waarin je jouw stempel op een fietstunnel mocht drukken. Vertel daar eens wat meer over.

‘Ja, dat was een fietstunnel in Breskens. Heel gaaf. Ik heb die lui een zeefdruk geschonken van mijn werk ‘Heel Zeeland in het rond’. 

Nu lopen we naar het andere kamertje van het zeemeerminnenhuisje van Wemeldinge. Hij wijst naar het origineel.

Het originele werk van het grote canvas dat nu in een fietstunnel in Breskens hangt.

‘Kijk maar eens goed, je ziet dames terug met verschillende drachten. Kijk eens naar die kapjes: Walcherse dracht, Bevelandse dracht en Schouwse dracht. En die zeefdruk hebben ze vergroot en in die tunnel opgehangen. Kijk, mijn streven is: iedereen moet het beeld van Jan Willem Hament kennen.’

We komen terug bij zijn tekentafel en hij zet vier ferme lijnen om de tekening. Dwars door andere tekenlijnen heen. Ik denk ‘wat doet hij nu?’ En dan kleurt hij een paar vlakken in. Eddingmarkerzwart.


Tot slot: hoe kwam je erbij om mij een zeefdruk van één van jouw prachtige Zeeuwse meerminnen aan te bieden?

‘Omdat jij bezig bent met meerminnen en met Zeeland.’ Hij legt zijn hand op ‘Meerminnen verdrinken niet’ – ik bracht het voor hem mee, als geschenk – ‘Ik heb zin om dit boek te gaan lezen.’

Dan overhandigt hij mij zijn tekening. ‘Meermin schrijfster Saskia’. Balpen in de hand, mosseltje rond de hals, schouderlang haar en een bedachtzame hand op mijn hoofd.
‘Bedankt,’ zeg ik glimmend.
Maar ‘bedankt’ volstaat natuurlijk niet.

Meermin schrijfster Saskia. Balpen in de hand, mosseltje rond de hals, schouderlang haar en een bedachtzame hand op mijn hoofd.

Jan Willem staat op. ‘Kom,’ zegt hij. ‘Kom even mee naar het torentje. Het uitzicht is fantastisch.’
We gaan een vlizo-trap op. Een smal laddertje en dan staan we in het muntgroene torentje, waar het warm is van de zon.
‘De Zeelandbrug. De kerktoren van Goes.’ Hij wijst naar links, naar rechts. ‘De kerktoren van Tholen. De molens van Wemeldinge.’

Maar vooral zie ik de blauwe golven van de Oosterschelde. Overal, echt overal, zie ik water. Zee. En een beetje land. En vlak onder mijn neus schitteren de gouden haren van de zeemeermin van Wemeldinge.

Over Saskia Maaskant

Ik groeide op in mosselvissersdorp Bruinisse en woonde daar tot mijn 27ste. Ik lust mosselen gekookt, gebakken, gegratineerd en in het zuur. Mijn tweede roman Kieuw (2013) kreeg een eervolle vermelding voor de Gouden Lijst en kreeg de Accolade voor het beste Zeeuwse Jeugdboek. Mijn derde roman Dromer (2016) won de Kleine Cervantes 2018. Tegen de zomer van 2020 verschijnt mijn eerste historische roman Meerminnen verdrinken niet. Over een stormramp, een mosselvissersdorp en een meisje.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

zeventien + 4 =