Meerminnen verdrinken niet – de personages

Toen ik op het idee kwam om ‘Meerminnen verdrinken niet’ te schrijven, lagen er meteen een aantal dingen voor mij vast: ik zou het boek opdragen aan mijn opa ‘Boomdijk’ en het zou over het leven in het Zeeuwse mosselvissersdorp Bruinisse in 1911 én de vergeten Stormramp gaan. Dan ging het verhaal vanzelf over mosselvissers. Als tegenhanger van al die mannen moest natuurlijk een meisje de hoofdrol spelen.

Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr BE-1557

Veel personages in Meerminnen verdrinken niet hebben echt bestaan. Ontdek op deze plek meer achter de personages. Heb je het boek nog niet gelezen, dan kan het niet anders of ze maken je nieuwsgierig naar hun verhaal.

Ik vertel je hier meer over:

Personages die zouden kunnen hebben bestaan in het Bruinisse van 1911:

Personages die echt leefden in (het Bruinisse van) 1911:


Personages die zouden kunnen hebben bestaan in het Bruinisse van 1911

Janna (in de hoofdrol)

Opeens doken er meer huizen op langs de laan. Net zo plotseling als drijfhout soms aanspoelt, na een stormachtige nacht. Links stond een villa zoals Janna die nog niet veel in haar leven had gezien. Groots en pompeus stond ze daar, verscholen achter bomen en struikgewas in een weelderige tuin. Ze bedacht dat er een rijk iemand moest wonen. Iemand die de woeste golven van de Grevelingen en het Zijpe meester was en nam wat hij nemen kon. Een zeerover. Ja, dat kan niet anders.
‘Dat is Huize ’t Hof, het huis van d’n dokter’, zei oom Wolfert.
Een dokter.
Janna zuchtte.

Janna (bijna 13) heeft in een jaar tijd beide ouders verloren en vlucht voor de pijn door zich te verstoppen in mijmeringen. Ze wordt opgenomen in het gezin van haar oom Wolfert, een mosselvisser in het Zeeuwse Bruinisse. Ze moet wennen aan het allesbehalve stadse leven en de stugge inwoners. En dan is er nog haar sterke voorgevoel, dat er iets rampzaligs staat te gebeuren.


Oom Wolfert

Hij wapperde in de wind. Zijn donkerblauwe kleren, zijn wangen, zijn krulhaar. Alles flapperde. De gouden ringen in zijn oren fladderden mee, zijn pet moest hij vasthouden. Een enorme hand, oneindig veel groter dan de hand van haar vader was geweest, pakte haar zak met spullen aan. De andere hand – warm en ruw – streelde haar wang.
‘Hoster’, bromde hij. ‘Hosternokke.’* Hij schudde zijn hoofd. ‘Je lijkt als twee druppels water op m’n zuster.’ En toen klemde de hand zich om die van Janna.

Oom Wolfert heeft stormogen, net zoals Janna’s moeder had.

Er móest ‘een Wolfert’ in het boek komen. Wolfert, Wolfer of Wof is een naam die bijna nergens voorkomt. Maar in Bruinisse is hij heel gewoon, vooral bij mosselvissers.


Dies

‘Hosternokke’, zei Dies. ‘Dat moet worden gehecht.’
‘Ja, je mot naar de dokter’, zei Graatje. ‘Die heeft zijn vrouw vermoord’, fluisterde ze erachteraan.
‘Wat?’ mompelde Janna.
Dies trok haar overeind. ‘Kun je staan?’
Ze dacht van wel, maar dat viel nog tegen.

Ach… grote, onbeholpen, ruwe, ijzersterke en recht-door-zee Dies. Hij is de buurjongen van Janna. Hij krijgt net de baard in de keel en moet al mee als knecht op de mosselschuit van oom Wolfert.

Zoek maar op ‘Dies’ op Google en Google Translate vertaalt het als ‘overlijdt’ in het Engels. Daarna komen online encyclopedieën met allerlei verklaringen voor het woord ‘Dies’. ‘Daarom’, ‘dag’, ‘derhalve’. 🙂 Het is overduidelijk, dat de oude naam Dies vrijwel nergens ter wereld (behalve in Nederland dan) voorkomt als naam. In Bruinisse is de naam heel gewoon. Daar kent iedereen wel een Dies of een Dingeman.


De tante

Er zijn van die mensen die je amper ziet. Die één zijn met hun kleding, met hun stoel, met hun huis. Janna’s tante was zo’n geval. Bleek gezicht, kleurloze lippen, asblond haar. Grijze jurk. Op haar hoofd droeg ze een wit gehaakt kapje. Haar vingers hielden breinaalden vast of haaknaalden, en grijze wol. Ze zat aan de tafel.
Toen oom Wolfert Janna op een van de stoelen aan de tafel duwde, keek de tante nauwelijks op. Ze gaf een slap, koud handje aan Janna en fluisterde haar naam. Maar die vloog het ene oor in en het andere weer uit.

Over de tante vertel ik je beter niet teveel. Behalve dan dat ze het Janna aardig moeilijk maakt om te wennen in Bruinisse.


Opa Boomdijk

‘Ben je daar eindelijk?’ Een zwaar stemgeluid zoemde haar oren in, naar diep vanbinnen.
Janna moest haar hoofd in haar nek leggen om hem aan te kunnen kijken, zo groot was hij. Hij had knoesten van handen en vingers zo dik als worsten. Nadat hij haar hand bijna fijn had geknepen, stak hij ze in de zakken van zijn pantalon. Hij was in burger*. In lichtgrijs, met een bijpassende jas. Zijn gezicht was vol en rond en helemaal nog niet zo oud. Hij had pluizige wenkbrauwen, een volle mond en zachte ogen. Geen stormogen.
Daar, op de trap van Java, besloot ze dat haar opa de knapste man was die ze ooit had gezien.

Ik droeg Meerminnen verdrinken niet op aan mijn opa Boomdijk. Hij behoedde Bruinisse voor een ernstigere ramp, door te waarschuwen voor het te hoge water en te helpen bij het plaatsen van vloedplanken bij het Beusje aan de havenkade op zaterdagavond 31 januari 1953.


Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr B-0662

Personages die echt leefden in (het Bruinisse van) 1911

Er zijn heel wat personen die vluchtig de revue passeren in het verhaal, maar wel écht leefden in 1911, zoals melkboer Bouwman, kruidenierster Maria Kik, uitbater van ´t Veerhuis dhr. Padmos én zelfs Hare Majesteit de Koningin Wilhelmina en haar hofhouding. De volgende personen spelen een prominentere rol in het verhaal:

Marinus Okkerse

Wiebelig kwam hij naast haar staan. Hij was nauwelijks langer dan zij. Toen pakte hij een stok en liep, of danste meer, met de benen wijd alsof er een klein paardje tussen zijn benen waggelde waarvoor hij te zwaar was en te groot en hij dus wel mee moest dartelen, naar het rek met de stoffen. Daar trok hij een meetlat uit.
‘Loop even mee, wil je’, zei hij. ‘Kijk eens of er een kleur bij zit.’

Marinus (Marien, Marientje, ‘de Snijer’) is misschien wel het belangrijkste bijfiguur uit het verhaal. Leuk weetje: Marien is mijn overgrootvader. ‘De liefste man van Bru’, werd hij ook wel genoemd. Hij móest wel een rol spelen in het boek, want naast kleermaker en barbier was hij dorpsomroeper. Wat zal hij een belangrijke rol in de nacht van de Stormramp hebben gespeeld…

‘De Snijer’ (oftewel ‘De Snijder’) was een van de bijnamen van mijn overgrootvader. Leuk weetje: het zit in het Bruse DNA om mensen bijnamen te geven. Soms was een bijnaam zo ingeburgerd, dat men de echte naam van die persoon niet meer wist. Anno 2020 is het gebruik van bijnamen nog heel gewoon in Bruinisse. Het is niet zo moeilijk te bedenken waar de bijnaam van mijn overgrootvader vandaan kwam: het refereerde aan het snijden van patronen uit stoffen.


Dr. de Kock Beeldbank Schouwen-Duiveland BRU-2410A

Dokter de Kock

Hij boog zich voorover om haar been wat beter te bestuderen. Een licht krullende lok haar viel precies langs zijn hoge voorhoofd. Verder lag geen haartje verkeerd. Het lag in een perfecte scheiding op zijn voorname hoofd. Zijn houding was gewichtig, zijn doktersjas kraakwit. Hij zag eruit alsof hij ieder moment een staatsieportret zou kunnen laten nemen. Janna kon zich niet voorstellen dat de man ooit een vlieg kwaad zou doen. Laat staan iemand kon vermoorden.

Dokter de Kock was een begrip in Bruinisse. Er is zelfs een straat naar hem vernoemd. Ruim honderd jaar later is niemand nog zeker van het verhaal over de dokter die zijn vrouw zou hebben vermoord.


Burgemeester Hage, Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr SP-0221

Burgemeester Hage

In het zwakke licht van de straatlantaarns zag Janna meer mannen dan ze ooit bij elkaar had gezien. Ze stonden tot ver voorbij het gemeentehuis. Burgemeester Hage stond op het bordes met zijn zeven gemeenteraadsleden aan zijn zij. Hij zette zijn handen aan zijn mond.
‘Dankbaar… grote opkomst… ’
De orkaan slokte zijn stemgeluid gulzig op.
Janna begreep dat eerder die nacht al een ploeg op pad was geweest, maar dat die door het noodweer er niet in was geslaagd de dijk te versterken.
IJlboden besloten het verhaal van de burgemeester in stukken te echoën, zodat iedereen de boodschap kon horen.

Naar burgemeester Hage is een laan vernoemd in Bruinisse. In de tijd dat Hage burgervader was, had Bruinisse nog een prachtig gemeentehuis in de Oudestraat. Een raadhuis met een torentje en een hoog bordes.


Ds. Waardenburg Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr SP-1121

Dominee Waardenburg

Iedereen luisterde naar het dreunende verhaal van de dominee waar geen eind aan kwam. Starre blikken, naar de preekstoel. Nauwelijks beweging. Zo nu en dan een rimpeltje, een minuscuul golfje. Meer niet.

Ik groeide op in een dorp met een dominee Waardenburg-straat. Hij moest wel een rol spelen, zeker omdat hij hulp heeft geboden tijdens de Stormnacht!


About Saskia Maaskant

Ik groeide op in mosselvissersdorp Bruinisse en woonde daar tot mijn 27ste. Ik lust mosselen gekookt, gebakken, gegratineerd en in het zuur. Mijn tweede roman Kieuw (2013) kreeg een eervolle vermelding voor de Gouden Lijst en kreeg de Accolade voor het beste Zeeuwse Jeugdboek. Mijn derde roman Dromer (2016) won de Kleine Cervantes 2018. Tegen de zomer van 2020 verschijnt mijn eerste historische roman Meerminnen verdrinken niet. Over een stormramp, een mosselvissersdorp en een meisje.